66
 
De wissel

Over een treintje en vissen


Mijn ouders hadden een groot domein, héél groot. Het dateert nog van mijn grootouders. De vader en moeder van mijn papa. Het terrein is zo groot dat opa een spoorlijntje had aangelegd voor een hele kleine trein. Het spoor is maar één meter breed en het doorkruist het hele terrein. "Voor mijn kleinkind," scheen hij steeds gezegd te hebben. Het noodlot wilde dat hij mij nog net heeft zien geboren worden. De locomotief heeft één wagonnetje, daar kunnen passagiers in. Toen ik nog een kind was had vader de snelheid begrensd, maar toen ik een tiener was reed hij op volle kracht. Net zoals papa reed ik mijn treintje in de garage. De auto van vader stond daar, die van moeder, later die van mij maar als kind had ik er mijn eigen perronnetje. Het spoor liep door de garage, aan de voorkant erin en aan de achterkant eruit. Ik had ook mijn eigen garagepoortjes, één in de voorgevel en één in de achtergevel. Dat was station Centraal. Het treintje was elektrisch en als ik het stationeerde moest ik telkens de stekker weer insteken zodat de batterij kon laden.

De helft van het domein zijn bossen. In het oostelijke deel zijn de stallen, vader had op het hoogtepunt in zijn leven dertig paarden. Rond de stallen reiken uitgestrekte weilanden om de dieren te laten grazen. De stallen en de weilanden zijn er nog steeds. Toen vader overleed heeft moeder dat gedeelte verhuurd, het is nu een manage.

De westgrens is een meer, het Mistmeer noemden we het omdat er heel dikwijls een mist over hing. Daar heb ik vele uren doorgebracht om te vissen. Ook samen met papa, hij heeft het me geleerd. Eerst in het bos op zoek naar wormen.

In het noorden woonde oma. Helemaal op het einde van het terrein. Toen opa overleed is zij daar gaan wonen en wij in het ouderlijke huis. Ik ben hun enige kind, vader en moeder wilde hun immense eigendom niet zien verkavelen. Verdelen onder verschillende kinderen. Toen oma overleed was ik al een dertiger. Na de dood van opa leefde ze enkel nog voor mij. Moeder werkte met vader hard in hun bedrijf. Maar toen ze gestorven is hebben vader en moeder het noordelijke deel dan toch maar verkocht. De nieuwe eigenaars hebben het spoor, dat over haar grond liep, afgebroken.

Tijdens mijn kinder- en tienerjaren had ik veel vriendjes. In de zomers kampeerden we en maakten kampvuren. We roeiden en zwommen , deden wedstrijdjes met kano's en we reden paard. Ik had twee motors en een quad. Ons domein was privé en samen met vrienden konden we daar uren in rondscheuren.

Nostalgisch loop ik voor een laatste keer over het immense domein dat weldra in de handen van nieuwe eigenaars zal terecht komen. Nu ook moeder is heengegaan heb ik het te koop gezet. Wat ik aan familie had, is niet meer of heeft me verlaten. Hopelijk wordt het aangekocht door de overheid die het als een natuurgebied zal behouden. Met pijn in mijn hart neem ik afscheid van een sprookje dat ooit geweest is maar nooit is mogen eindigen met de woorden : "ze leefden nog lang en gelukkig."

Ik heb hier een sprookjesachtige jeugd gekend en heb hier zoveel mooie herinneringen. Eén ervan was zo wonderbaarlijk dat ik mij tot de dag van vandaag nog steeds afvraag of het wel echt is gebeurd. Het is al zo lang geleden en vraag mij eigenlijk af of ik het als kind niet heb gedroomd. Het gebeurde hier, hier op het meer.

Op een dag reed ik naar oma, van station Centraal naar station Noord, ik moet toen acht zijn geweest, denk ik. Station Noord was ook een oplaadpunt want het gebeurde vaak dat ik bij oma bleef overnachten. Onderweg stond er een meisje aan het spoor, pal naast haar stopte ik. Verbaasd keek ik haar aan. Nog nooit iemand gezien hier, het terrein is veel te groot om hier in je eentje wat te wandelen. Ze moet ver van huis zijn, misschien is ze wel verdwaalt.

"Waar kom jij vandaan", vroeg ik.

Ze wees met haar handje: "Daar."
"Mag ik met je meerijden ?"

"Natuurlijk."

Ze stapte in en nam plaats in het wagonnetje, alsof ze er al honderden keren had ingezeten. Met haar handjes in haar schoot keek ze glimlachend naar mij.

"Waar rij je naartoe ?"
"Naar oma."
"Dan kom je voorbij het meer, wil je met mij in je bootje over het meer roeien ?"
"Hoe weet jij dat, ik heb jou hier nog nooit gezien ?"

Ze haalde haar schouders op maar antwoordde niet. Ik zette het treintje in beweging en reed verder. In de verte zagen we het meer verschijnen, het was nog vroeg in de morgen en er hing een fijne mist over, net boven het wateroppervlak. Ik stopte aan het meerperronnetje en samen wandelden we naar het steigertje waar de roeiboot lag aangemeerd.

"Ik kan nog niet zo goed roeien, papa roeit altijd als we gaan vissen."
"Ik kom hier ook wel eens met mama, dan mag ik papa spelen en roeien voor haar."

Glimlachend zat ze op dezelfde plaats waar mama altijd zat. Met de zware peddels roeide ik het meer op. Met de fijne mist over het water leek het wel of we in de wolken roeiden. Toen we een eindje op het meer waren leunde ze over het bootje en speelde met haar handjes in het water. Ik was een beetje moe van het roeien, liet de peddels los en ging naast haar zitten. Samen speelden we met onze handen in het water. Plotseling kwam er een grote vis met zijn kop aan het wateroppervlak. Ik schrok en sprong recht.

"Ben jij bang van vissen," vroeg ze en lachte?
"Neen," deed ik heel stoer en ging terug naast haar zitten.
"Ik schrok alleen een beetje."

Haar handjes gingen door het water en steeds kwamen er meer vissen.

"De vissen komen naar jou toe, "zei ik.
"Het zijn mijn vriendjes."
"Je mag ze aaien hoor."


Verbaasd stak ik mijn handen terug in het water. Vissen zwommen tussen onze handen en ze lieten zich strelen door ons. Kleine visjes, grote vissen, de hele boot was omgeven door vissen.

"Ik wist niet dat er zoveel vissen waren in dit meer, als ik met papa kom vissen duurt het heel lang voor er eentje bijt."

Ze antwoordde niet maar speelde met de vissen.

Na een tijdje zijn we terug geroeid, het bootje vast geknoopt en we stapten terug in het treintje. Ze vroeg me of ik haar thuis wilde afzetten.

"Ik weet niet waar je woont."
"Bij de eerste wissel linksaf."
"Maar tot aan oma zijn er geen wissels meer."
"Het is een nieuwe, zei ze, op verzoek van jouw oma."

Opnieuw zat ze glimlachend in het wagonnetje, ze had gelijk, een eindje verder was er en nieuwe wissel. Om van spoor te veranderen moest ik uitstappen en de zware hefboom verschuiven om van spoor te wisselen. Verbaasd reed ik het treintje over het nieuwe spoor, kronkelend ging het door het bos tot ik aan een nieuw perronnetje kwam.

"Mag ik hier uitstappen ?"

Ik stopte het treintje, ze stapte uit.

"Gaan we morgen terug met de vissen spelen," vroeg ik haar ?
"Neen, antwoordde ze, niet morgen."

Haar achterlatend wuifden we naar elkaar tot de bomen het zicht belemmerden. Ik kwam weer aan op het hoofdspoor, wisselde en reed naar oma.

Toen ik bij oma aankwam vertelde ik haar mijn verhaal. Stom verbaasd keek ze me aan. Tientallen keren, opnieuw en opnieuw ben ik op zoek geweest maar heb die wissel nooit meer terug gevonden. Ik ben op zoek geweest in het bos maar ook het spoor en het perronnetje heb ik nooit meer terug gevonden.

Na mij hebben ook mijn kinderen hier dolle pret beleefd op het grote terrein en met het treintje. Maar mijn gezin heeft een andere keuze gemaakt. Het sprookje dat mijn jeugd was, zo'n hel was de rest van mijn leven. Mijn hele leven heb ik mij afgevraagd wat er mij eigenlijk als kind overkomen was. Vooral in tijden van tegenspoed greep ik telkens terug naar dat ene moment, die stralende glimlach van dat meisje en onze vissenvriendjes. Eventjes was er een zijspoor en plots was die verdwenen.

Het moet ergens hier zijn geweest, hier heb ik tientallen keren staan zoeken. Zelfs toen ik een volwassen man werd begreep ik het nog steeds niet. Het spoor is nu helemaal dicht gegroeid, Tientallen jaren dat er niet meer over gereden is. Overgroeid met struiken en planten, hele bomen zijn er tussen de biels ontstaan.

Kijk hier, een wilde rozelaar bedekt het spoor over vele metsers, volop in bloei, prachtige witte rozen, ze ruiken als liefde van toen. Ik ga op mijn knieën zitten en probeer het oude verroeste spoor eronder terug te vinden. Deze rozelaar groeit hier al vele jaren en zijn dikke takken zitten vol scherpe doorns. Kijk, hier is een stukje rail.

Maar het is meer dan een rail !

Met al mijn kracht trek ik de dikke takken opzij, de doorns steken in mijn handen.

Het is de WISSEL !

Ik kijk op en daar staat de hefboom, begroeid door de rozelaar. Ik kijk in het bos en zie het zijspoor, helemaal onderbegroeit met hier en daar een stukje bloot. Ik spring recht en volg het spoor.
Bijna in looppas volg ik het. In de verte zie ik het perronnetje. Ongehoord heeft de wildgroei van bomen het tot een ruïne gemaakt.

Hier heb ik haar afgezet, ik was een kind. Het was echt, het was echt gebeurd. Waar is ze heengegaan ? Waar woonde ze ? Tussen de begroeiing ontwar ik iets dat ooit een padje is geweest. Ik volg het. Hoe verder ik het volg hoe duidelijker het padje wordt alsof het steeds meer onderhouden wordt.

Daar, daar staat een huisje. Helemaal tussen het groen alsof de tijd hier is blijven stilstaan. De mooiste bloemen, netjes verzorgd, nergens onkruid.

Het deurtje gaat open, daar staat ze. Net zo oud als ik maar haar lieve glimlach en haar ogen herinner ik mij zoals ik haar ooit zag toen wij nog kinderen waren, zoals ze altijd in mijn verlangen is bijgebleven.

De klanken komen stamelend uit mijn mond maar toch red ik het haar te vragen:

"....w..... waarom ........?"

"Je was er nog niet klaar voor, jouw drang naar bezit en heerschappij leefde nog veel te intens in jou."


Dit verhaaltje is maal gelezen.